Toch een blog

Omdat niet alles in een Tweet past

Mondkapjesplicht

Allereerst wil ik heel duidelijk maken dat ik geen virus-ontkenner ben. Covid-19 is echt een heel vervelend, maar vooral onvoorspelbaar virus. De klachten verschillen van patiënt tot patiënt.

Er zijn jonge mensen die gezond leven en aan sport doen, maar tegelijk heel erg ziek worden en er nog heel lang last van hebben van klachten.

Je hebt ook niet zo sportieve, iets te zware en niet zo heel jonge mensen met longklachten, zoals ik, voor wie het niet veel ernstiger wordt dan een vervelende verkoudheid. Nu is dat, bovenop mijn bestaande klachten, echt genoeg, maar de klachten gingen niet heel veel verder dan dat en waren met mijn bestaande medicatie heel goed te behappen. Tegelijk had mijn vriendin echt flinke klachten. Haar beeld was vergelijkbaar met een hele zware griep waar ze echt behoorlijk ziek van was. Van artsen of ziekenhuisopname was gelukkig geen sprake, maar vervelend was het wel. Beide zijn we inmiddels klachtenvrij en herstellende.

Verreweg de meeste klachten zitten ergens tussen de mijne en die van mijn vriendin in. En inderdaad, er gaan mensen aan dood. Veelal mensen met onderliggend lijden. Een deel daarvan is daarvoor al ernstig ziek en daarbij geeft dit virus dan het laatste duwtje. Het voelt heel definitief en verdrietig, zeker voor naasten. Daarom is het echt belangrijk om de zwakken in bescherming te nemen. Ik ben het alleen niet altijd eens met de manier waarop.

We hebben dit vaker gezien, tijdens een aantal ernstige griepepidemieën in de afgelopen twintig jaar, maar ook tijdens de Mexicaanse griep en nog nooit zijn er zulke verregaande maatregelen getroffen. Toch waren de argumenten van nu eigenlijk ook toen van toepassing.

Veel van de maatregelen worden door de “ontkenners” van het virus als onzin gezien. Ik ontken het virus niet, maar ook ik denk dat de belasting die sommige maatregelen met zich mee brengen niet evenredig zijn met de schade zijn die zij aanrichten. Economisch, maar ook sociaal en voor de geestelijke gezondheid. Dat is mijn persoonlijke overweging, kennelijk niet van onze overheid en kennelijk ook niet van het merendeel van de bevolking.

Laat ik het omdraaien. De anderhalve meter, het handen wassen, elkaar niet in het gezicht, maar in de ellenboog hoesten of niesen, zijn dat niet gewoon maatregelen die we eigenlijk al jaren terug elk griepseizoen hadden moeten invoeren? Zijn het niet eigenlijk hele logische maatregelen voor elke epidemie, waar we jaarlijks mee te maken krijgen? Daarmee voorkom je serieus besmettingen en de inzichten die we nu hebben zijn echt niet nieuw. We weten het eigenlijk al decennia: Goede handhygiëne en het fatsoen om mensen niet direct in het gezicht te blaffen vormen gewoon een gezonde basishouding. Deze houding is nu opeens onderdeel van “het nieuwe normaal” geworden.

Aan de andere kant lijkt het mij (en met mij veel artsen) niet zo slecht om op natuurlijke manier ons immuunsysteem gezond te houden. Gebrek aan hygiëne is niet goed, maar te veel eigenlijk ook niet, omdat we ons immuunsysteem dan nooit aan ziekteverwekkers zouden blootstellen. We hebben dat wel een beetje nodig om het in stand te houden of zelfs te versterken. Onder “normale” omstandigheden is knuffelen en zoenen sociaal gezien, maar ook voor onze fysieke en geestelijke gezondheid, juist heel erg gezond.

Toen mijn vrouw, halverwege februari, net was overleden (ook te lezen in dit blog), had ik echt de behoefte om met mijn naasten te knuffelen. De anderhalve meter-maatregel was net nieuw en werd nog redelijk als “vrijblijvend” ervaren. Reken maar dat ik mijn kinderen heel goed heb beetgepakt. Daar had op dat moment ook echt niemand tussen moeten komen. Fysiek contact is geen luxe, het is een absolute noodzaak, een menselijke levensbehoefte.

Er is veel discussie over de zin, de onzin en de (on)evenredigheid van alle maatregelen. Wat we wel zien is dat mensen die afhankelijk zijn van geestelijke gezondheidszorg, of mensen die in een instelling wonen, vreselijk hard getroffen worden door een aantal maatregen die er juist voor bedoeld zijn om hen, de meest kwetsbaren, te beschermen. Deze richten tegelijk enorm veel stress en andere gezondheidsschade aan. Juist door die maatregelen komen heel veel mensen die hulpbehoevend zijn, zoals bijvoorbeeld daklozen, in de knel. Ik denk dat daar echt wel meer oog voor mag zijn. Ik denk dat een aantal maatregelen echt onevenredig en veel grievender zijn dan de overheid en een boel mensen inschatten.

En dan de mondkapjesplicht, een maatregel die naar mijn idee niet alleen onzinnig, maar mogelijk zelfs schadelijk kan zijn, die is ingegaan. Ik denk dat je het gebruik van mondkapjes veel selectiever moet verplichten, zoals in alle ziekenhuizen, zorginstellingen en de thuiszorg, en dan ook gelijk voor de echte FFP3 medische mondkapjes moet gaat en niet voor een halfbakken maatregel, ingegeven door paniek en een tekort aan echte middelen.

In de publieke binnenruimte is het verplicht om een niet-medisch mondkapje te dragen. De meningen zijn enorm verdeeld over het nut er van en er zijn zelfs experts die zich zorgen maken over het gevaar voor de volksgezondheid bij onjuist of langdurig gebruik van het mond-neusmasker.

Verplichting voor een door de overheid beschikbaar gesteld FFP3 mondkapje zou ik nog enigszins kunnen begrijpen. Daar komt werkelijk geen virusdeeltje doorheen, maar die zijn er simpelweg niet voldoende en behoorlijk duur. Een niet-medisch mondkapje lijkt een beetje op een mug tegen willen houden met een stuk betongaas. Je creëert echt een vals gevoel van veiligheid. Inderdaad, er zal wel eens toevallig een mug het ijzer raken en omkeren, maar echt helpen doet het niet, de meesten kunnen gewoon doorvliegen. Zo is het ook met een stoffen kapje of een niet-medisch mondkapje. Het is naar mijn gevoel dan ook meer een politieke dan een medische beslissing en daarnaast halfbakken en haastig vastgelegd.

Om Jaap van Dissel (RIVM), een van de voornaamste adviseurs van het het kabinet, te citeren:
“Kijk, schijnzekerheid… ik wil geen flauwe grappen maken hier hoor, maar als je in Azië komt zie je regelmatig mensen met mondkapjes lopen, maar dat heeft de coronaverspreiding daar ook niet tegengegaan”. Ook eerder heeft deze Jaap van Dissel zich kritisch uitgelaten over een dergelijke plicht, vooral in verband met risico’s van verkeerd gebruik.

Eigenlijk helpen ze niet zo goed, tenminste, het staat lang niet in verhouding tot afstand houden, handen wassen en elkaar niet te veel in het gezicht hoesten of niesen. Maar goed de draagplicht is er, het is wettelijk vast gelegd. In de openbare binnenruimte is het verplicht om een niet-medisch mondkapje te dragen.

Nu is er een uitzondering; Als je aannemelijk kunt maken dat je om medische redenen of van wege een zichtbare of onzichtbare beperking echt geen mondkapje kunt dragen, dan heb je vrijstelling. En daar zit, volgens mij, nou juist precies een probleem:

Een doktersverklaring is niet verplicht in verband met medisch geheim. Bovendien heeft het Nederlands Huisartsen Genootschap (NHG) haar leden geadviseerd om geen medische verklaringen hiervoor af te leggen, dus veel huisartsen zullen dit ook niet doen.

Hoe maak ik het dan aannemelijk? Moet ik een pufje bij me dragen omdat ik vaak benauwd ben en wat zegt dat eigenlijk over mijn wel of niet kunnen dragen van een mondkapje? Hoe bewijst je dat je doofstom bent en met mondkapje niet met je, eveneens mondkapje-loze, begeleider kan communiceren? Moet een vrouw die als kind herhaaldelijk seksueel misbruikt is en daarbij bijna is gestikt door een kussen of een hand op haar gezicht, liefst met haar kind aan de hand, aan een agent of BOA gaan uitleggen dat ze daarom een trauma heeft opgelopen? Hoe ver moet je gaan om het aannemelijk te maken en een boete te voorkomen? Er zullen ook zat mensen zijn die geen zin hebben in een mondkapje en smoezen verzinnen om te proberen er onderuit te komen. Dat maakt het niet makkelijker.

Je kunt er op wachten dat er onterecht boetes gaan worden uitgedeeld. Het is echt onontkoombaar en behoorlijk willekeurig. Ik maak mij hier, naast de vraag hoe dik mijn stapel boetes gaat worden, oprecht ernstig zorgen om.

Het gaat gebeuren dat mensen onterecht boetes gaan krijgen, dat een veilige aanname. De eersten zullen vandaag nog worden uitgedeeld, het zij door een politieagent, dan wel door een BOA, die met eigenlijk net iets te weinig kennis de straat is opgestuurd met de opdracht te gaan handhaven. Dat zijn degenen die jou moeten aanspreken op het niet dragen van je mond-neusmasker en geloof me, dat zal niet altijd vriendelijk zijn. In het buitenland zien we zelfs dat er regelmatig geweld aan te pas komt.

Heel eerlijk gezegd, een politieagent en een BOA zijn geen artsen. Je kunt ze niet kwalijk nemen dat ze niet kunnen inschatten of je terecht of onterecht aanspraak maakt op de uitzonderingsregel en daarom geen mondkapje draag. Sterker nog, er is wat die uitzonderingsregel aangaat eigenlijk helemaal niets concreets gedefinieerd. Hoe kan een politieagent of BOA het dan bepalen? Dit roept gewoon met enorm grote koeienletters om willekeur van iemand die de opdracht heeft gekregen om te handhaven en zonder enige echte kennis van zaken en met een vage aanwijzing zijn of haar werk moet doen.

Door strenge handhaving acht ik, om die reden, de kans enorm groot dat er heel veel mensen terecht, maar vooral ook echt onterecht, een boete gaan krijgen voor het niet dragen van een mond-neusmasker. Mensen die toch echt om legitieme redenen gebruik willen maken van de uitzonderingsregel.

Maar wat kan je dan doen volgens de overheid?

Jij of een advocaat moet, zodra je van het CJIB een beschikking ontvangt, een brief van verzet schrijven, met het beschikkingsnummer, de argumentatie waarom de boete onterecht is en nog een aantal punten die je moet aangeven. Daarnaast moet je je melden bij het loket van het dichts bij zijnde parket, dat meestal niet echt om de hoek is, om je bezwaar aan te geven, het daadwerkelijke in verzet gaan. In het begeleidend schrijven bij boetes van het CJIB – ik ken ze helaas ook “Oeps, een kilometertje te hard gereden” – staat in ,naar mijn smaak veel te ambtelijke en onduidelijke taal, hoe je dit kunt doen.

Nu staat het CJIB niet heel bekend om haar flexibiliteit en het tonen van begrip, maar het is uiteindelijk ook gewoon een incassobureau dat alleen maar uitvoert. Je hoeft van het CJIB niet heel veel te verwachten. Ze zullen je dan ook gewoon direct naar het openbaar ministerie verwijzen. Dat is prima, die brief is er ook alleen maar om aan te geven dat je bij het OM in verzet gaat en daarmee geven ze je tijd om dit daadwerkelijk te doen zonder direct met verhogingen of dwangvorderingen te komen. Die brief aan het CJIB alleen is dus echt niet voldoende. Jij, of een advocaat, moeten zo snel mogelijk bij het loket van het parket in persoon verschijnen om in verzet te gaan. Zo zijn er best wat drempels die je als burger moet nemen als je het niet met een boete eens bent. Dat lijkt me voor iemand die al ziek is of een beperking heeft best zwaar, maar daarnaast heb ik er persoonlijk ook wel een paar vragen over:

Als ik naar dat loket ga, moet dat dat met of zonder mondkapje? Ik ben immers van mening dat ik onder de uitzonderingsregeling val. En loop ik dan, in het hol van de leeuw, niet een enorme kans om er nog een te krijgen? Word ik überhaupt wel toegelaten, en dus misschien wel gehinderd om mijn verzet in te dienen?

Krijg ik, als de boete onterecht blijkt, achteraf een reiskostenvergoeding om bij dat loket te hebben kunnen komen? Het lijkt me wat oneerlijk als ik dat zelf moet betalen.

Het loket is van 8.00 tot 17:00 geopend en in het weekend gesloten. Kan ik als ondernemer ook een vergoeding voor inkomstenderving krijgen voor de tijd die het me tijdens mijn werk kost? Niet werken is geen geld, zo simpel is het, en als ondernemer heb ik het op dit moment toch al niet zo makkelijk. Ook werknemers zullen misschien best een probleem hebben als ze aan hun baas moeten vertellen dat ze vrij willen omdat zij zich bij het parket moeten melden. Waarom kan dit niet, net als zaken met de belastingdienst, online? Er worden voor allerlei dingen, vanwege dit virus, online mogelijkheden gecreëerd. Waarom moet ik fysiek naar een kantoor?

Ik kan me van het openbaar ministerie tegelijk voorstellen dat het, om de reden die ik net noemde, namelijk dat niet specifiek vast ligt wanneer je wel of geen aanspraak kan maken op de uitzonderingsregel, ook wel meer duidelijkheid wil hebben over waar de grenzen nu precies liggen. Misschien zullen ze daarom in een aantal gevallen niet meteen seponeren, ook als eigenlijk best aannemelijk is dat het bezwaar terecht zou kunnen zijn. Het zou me echt niet verbazen dat ik, als ik niet wil schikken, word gedwongen om zo’n proefproces over me heen te laten komen om een rechter te laten beslissen. Niet perse iets waar ik op zit te wachten.

Nu draag ik wel een mondkapje, want als je het niet doet krijg je dus echt een enorm gezeik dat ik natuurlijk liever voorkom, maar er is bij mij echt wel een grens aan de tijdsduur dat ik zo’n ding kan dragen. Ik heb astmatische bronchitis en na niet al te lange tijd krijg ik last van zo’n masker. Dat gaat dan echt wel een heel stuk verder dan “oncomfortabel”.

Ik vind, los van wat ik van de wet zelf vind, dat je je er gewoon aan moet houden. We leven in een democratie met wet- en regelgeving en die geldt voor iedereen, dus ook voor mij. Je kunt je niet alleen aan wetten houden die je goed uitkomen of waar je het mee eens bent. Tegelijk ben ik ook oprecht van mening dat ik, op het moment dat ik echt last van mijn mondmasker krijg, onder die uitzonderingssituatie val. Je zult begrijpen dat ik in dit geval niet zondermeer een boete zal gaan betalen.

Is er toevallig een advocaat of een politicus die klaar staat om mij te helpen, mocht ik in de situatie komen dat ik toch echt dat masker af moet doen en vervolgens een boete krijg? Ik ben erg benieuwd…

Herinneringen

Voorlezen voor mensen met een visuele beperking

Het menselijk geheugen is best een raar ding. Herinneringen vervagen, veranderen en kloppen soms gewoonweg niet. Onze hersenen zijn nu eenmaal geen harde schijf en ons onderbewustzijn veranderd onze herinneringen ongemerkt met de tijd telkens een heel klein beetje. Onze herinneringen zijn niet objectief.

Ik sprak laatst met iemand over zomer- en wintertijd en over tijdzones. In Nederland kennen we bijvoorbeeld sinds 1940, inderdaad dankzij de Duitse bezetter, de middel-Europese tijd (CET). Daarvoor kenden we in Nederland de Amsterdamse tijd, die hierop ongeveer 20 minuten achterliep en nog veel vroeger had elke dorp en elke stad zo ongeveer zijn eigen tijd, die afhing van de nauwkeurigheid van de kerkklok.

Ik herinnerde me tijdens dit gesprek opeens dat ik vroeger met mijn ouders, ik moet een jaar of zes zijn geweest, elke zomer wel naar familie in Duitsland ging en dat er dan een uur tijdsverschil was. Ik had ooit al eens gelezen dat we sinds 1940 in Nederland in dezelfde tijdzone zitten als onze Oosterbuur, dus ik twijfelde aan mijn herinnering en wilde zeker weten of deze wel klopte.

Omdat ik twijfelde aan mijn herinnering ben ik gaan zoeken en wat bleek? In Europa is niet in alle landen tegelijk de zomertijd ingevoerd. In Nederland in 1977 en in Duitsland pas in 1980. Mijn herinnering klopte dus. Drie jaar lang, van mijn zesde tot en met mijn negende levensjaar, moesten wij elk bezoek aan Duitsland ons horloge een uur naar achteren zetten. Het was er een uur vroeger dan in Nederland. Dat, samen met het wisselen van guldens naar Duitse marken aan de grens, maakte dat een indrukwekkende belevenis die mij, drieënveertig jaar later gewoon is bijgebleven.

Later bedacht ik me ook nog dat we met nieuwjaar de familie in Duitsland wel om twaalf uur ’s nachts belden om ze het aller beste voor het komende jaar te wensen.

Grappig hoe je zo opeens een herinnering naar boven kunt halen die verdwenen leek te zijn.

Een nieuwe kans

Voorlezen voor mensen met een visuele beperking

We hebben tweeëntwintig jaar lief en leed gedeeld. We hebben samen drie kinderen opgevoed. We hebben verliezen meegemaakt en we hebben ontzettend leuke tijden met elkaar gehad. We hebben voorspoed gekend en helaas, maar dat hoort bij het leven, ook tegenspoed. Ik hield van haar en zij hield van mij. Ik zou, als het nodig zou zijn geweest, mijn leven voor haar hebben gegeven, ook op die tragische avond dat ik haar los moest laten en haar moest laten gaan. 

Als je iemand waarvan je zo verschrikkelijk veel gehouden hebt verliest, dan is de pijn onbeschrijfelijk. Een deel van jezelf sterft. Je hart breekt en je ziel wordt in stukken gescheurd. Een relatie waaraan na tweeëntwintig jaar een definitief einde komt omdat, zoals je het elkaar hebt beloofd, het eindigt als de dood je scheidt.



Als je hart is gebroken, maar je toch nog zo veel liefde te geven hebt, dan kan het zomaar gebeuren, ook al ben je niet op zoek, dat je iemand tegenkomt die je hart weer heel maakt en die de stukken van je ziel weer bij elkaar brengt. Dat je iemand tegenkomt waaraan je je hart weer verliest. Omdat die iemand je raakt door hoe lief ze is, hoe mooi ze van binnen is, hoe zeer ze op je lijkt en omdat ze ook nog zo veel liefde te geven heeft. Iemand waarmee je heel graag de toekomst tegemoet treedt en waarmee je samen verder wilt gaan. Waarmee je nieuwe mooie, en soms misschien ook wel minder mooie, herinneringen wilt maken. Waar je lief, maar ook leed mee wilt delen.

Je kunt, al ben je iemand verloren waar je enorm veel van hield en houdt, toch ook nog een nieuwe liefde tegenkomen. Iemand waarvan je net zo veel gaat houden zonder dat het afbreuk doet aan wat je met de ander hebt gehad. Waarbij de ene liefde niet onder doet voor de andere liefde. Volkomen anders en met een totaal ander persoon, maar ook volkomen gelijkwaardig. Een nieuwe grote liefde in je leven, een nieuwe kans om samen oud te worden met iemand waar je onvoorwaardelijk van houdt.

Ik heb het nog nooit gedaan, dus ik denk dat ik het wel kan

“Kom Bolletje, we zetten even je fiets op de kop en dan gaan we even samen die band plakken.”

Mijn ouders vonden zelfredzaamheid belangrijk. Niet in de laatste plaats omdat mijn zus en ik regelmatig lekke fietsbanden hadden en mijn vader er gewoon spuug zat van was om ongeveer drie keer in de week een band te moeten plakken. Hij vond het belangrijk dat we dat zelf konden en ik heb dan ook al jong leren banden plakken.

Je kon een keer ergens met een lekke band stranden en dan was het best handig als je met je bandenplak-setje en het pompje van de fiets zelf de boel even kon maken. Mobiele telefoons waren er nog niet en zomaar bij iemand aanbellen om te vragen of je de telefoon mocht gebruiken was best eng, ook in die tijd al.

Ik kon op mijn tiende een band plakken. Eerst deed mijn vader het voor, de volgende band deed hij het nog ene keer voor, de band daarna deden we het samen en uiteindelijk deed ik het en gaf mijn vader aanwijzingen.

Mijn vader had, en heeft trouwens nog steeds, geen geduld. Hij is het soort man dat in een winkel een volle kar met boodschappen laat staan omdat er voor hem drie mensen in de rij staan die naar zijn idee niet opschieten. Maar als het er om ging om ons iets uit te leggen of te leren dan kon zijn geduld gewoon niet op. Dan nam hij echt alle tijd om iets uit te leggen en nog een keer als je het niet begreep en desnoods nog een keer.

Zelfredzaamheid werd bij ons thuis belangrijk gevonden. Hulp vragen is prima, maar het is goed om het ook zelf even te proberen.  Zo leerde ik al vroeg een stroomstekker aan een snoer zetten, een gloeilamp vervangen, een plank op lengte afzagen en een spijker in een muur staan, maar dat gold voor mijn zus ook. Andersom leerde mijn zus sokken stoppen, een scheur in een broek repareren en een knoop aan zetten en ik ook. Zowel mijn zus als ik konden de meest basic dingen op ons twaalfde wel koken. Daarbij hield er natuurlijk wel altijd een ouder een oogje in het zeil.

Dat we zulke dingen vroeger samen thuis deden heb ik altijd leuk gevonden en ook nu nog vind ik samen met mijn kinderen iets doen heel belangrijk.

We kenden allemaal Pippi Langkous met haar motto “Ik heb het nog nooit gedaan, dus ik denk dat ik het wel kan”. Zo sta ik nog steeds in het leven en ik heb geprobeerd dit ook aan mijn kinderen mee te geven.

First date (vervolg)

Het vervolg op First date (handig om eerst even te lezen)

Het stel verlaat na de koffie en het gebakje met slagroom het terrasje aan de gracht. Door de smalle straatjes van de stad lopen ze naar een parkje en gaan aan het water in het gras zitten.

Beide blozen ze een beetje. Ze lijken elkaar wel heel erg leuk te vinden. Als als ze daar zo naar de bootjes kijken die voorbij varen, schuiven ze een beetje dichter bij elkaar en beginnen wat zachter te praten. Ze hebben het over hun kinderen, over wat ze zoal in hun leven hebben meegemaakt. Ze hebben het over serieuze dingen en maken tussendoor grapjes. Ze praten over hun gezamenlijke passies, zoals het genieten van heerlijk eten en een lekker drankje.

Hand in hand

De vrouw pakt iets uit haar tasje dat op een lippenstift lijkt. “Het is lip-balsem”, legt ze uit, terwijl ze er lachend een beetje mee zwaait. “Je hebt deze in verschillende smaakjes, zoals sinas, chocolade en deze, cola-smaak. Cola is echt mijn favoriet, die is echt heel erg lekker”.

Ze smeert een beetje op haar mond en perst haar lippen wat op elkaar om het te verdelen. De balsem gaat weer terug in haar tasje. De man krijgt een kleine glimlach om zijn mond en zijn ogen beginnen een beetje ondeugend te glinsteren als hij zegt “Nu word ik toch wel heel nieuwsgierig naar hoe jouw favoriete lip-balsem smaakt. Mag ik eens proeven?”. Hij komt een beetje dichter bij en wacht het antwoord af. Ze zegt glimlachend “Ja dat mag wel”. Hun hoofden komen nog iets dichter bij elkaar en vervolgens geven zij elkaar heel zachtjes een allereerste zoen.

First date

Voorlezen voor mensen met een visuele beperking

Waar ik vannacht over droomde zou morgen zomaar realiteit kunnen worden…

“Heb je zin in een gebakje?”
“Ja lekker, dat lust ik wel.”
“Eentje met slagroom?”
“Dat lijkt me heerlijk.”

Het is een gedeelte van een gesprek tussen een man en een vrouw op een terrasje die koffie bestellen. Beide zijn ze bijna vijftig. Twee, elk in hun eigen recht, mooie mensen die elkaar gevonden lijken te hebben. Het is net of ze elkaar al best goed kennen, maar toch ook een beetje onwennig.

Allebei hebben ze grote kinderen en een verleden waarin ze veel hebben meegemaakt. Perioden van intens geluk en van diep verdriet. Beide dragen ze een zakje met emotionele bagage bij zich. Aan hun gezichten kun je het zien, getekend door de jaren die ze achter de rug hebben. Levenservaring die zichtbaar is in hier en daar een rimpeltje en een grijze haar, maar met ogen die stralen omdat ze genieten van elkaars aanwezigheid na een periode van eenzaamheid. Een geweldige schoonheid die iedereen kan zien die ook groot geluk en intens verdriet heeft gekend.

Hij lacht als hij haar hand pakt en zij lacht terug. Een beetje onwennig. Een beetje verlegen. Na iets meer dan een week met een lange reeks berichten via WhatsApp en een aantal hele gezellige telefoongesprekjes is het hun eerste echte date.

Dit verhaal heeft nog geen einde, omdat het einde nu nog in de toekomst ligt. Voor dit moment is het alleen een prachtig stel van middelbare leeftijd op een terrasje, ergens in een mooie provinciehoofdstad in het noorden van het land, genietend van de zon en elkaars aanwezigheid. Onder het genot van een kopje koffie en een gebakje beginnen ze een leuk gesprek.

Mijn nieuwsgierigheid wordt geprikkeld door dit stel. Ik ben heel erg benieuwd hoe het tussen die twee gaat aflopen. Misschien wordt mijn bovenmatige interesse in dit tweetal wel getriggerd omdat ik de ene helft ervan ben…

Op speciaal verzoek gaat het verhaal een klein stukje verder…

Lelijk als de nacht

“Van een mooi börd köj’ neet èten”

Vanuit het Drents vertaald: “Van een mooi bord kun je niet eten”.

En zo is het precies. Uiterlijk is niet alles.

Een mooie vrouw is leuk om naar te kijken. Zeker als je jong bent is uiterlijk heel belangrijk. Het is het eerste dat je ziet en waarop je selecteert. Maar wat heb je aan een mooi plaatje als je verder niets met elkaar hebt?

Als je ouder wordt dan wint de zwaartekracht. Hier en daar krijg je een extra huidplooitje of een rimpeltje. Je haren worden grijs of dun. Je spieren verslappen en het lijf dat ooit mooi strak was zakt een beetje in.

Niet heel veel mensen worden oud en blijven zo mooi als ze in hun jeugd waren. Het lijkt me heel naar als je oud wordt en naast elkaar zit, maar elkaar niets meer te vertellen hebt. Je kunt alleen zwijgen, naast elkaar in eenzaamheid.

Het is veel belangrijker dat je met iemand samen bent die weet hoe jij je voelt en die uit genegenheid een arm om je schouder legt. Iemand waarmee je een goed gesprek kunt voeren, onder het genot van een goed glas wijn. Iemand waarmee je interesses deelt en die op een zelfde manier in het leven staat als jij. Iemand die in staat is om van je te houden, ondanks de gebreken die je misschien zelf als mens ook hebt. Onvoorwaardelijk omdat die jou ook mooi vindt.

Zo werd ik op een ochtend wakker en bedacht ik voor mijn lief:

Ik las vannacht,
nadat ik het had opgeschreven,
Ik weet niet hoe ik er op kom,

misschien wel eens gelezen:

Al was je lelijk als de nacht,
dan nog zou ik je beminnen.
want hoe je het ook wendt of keert,

ware schoonheid zit van binnen.

Dat is de kern waar het om draait. Ja, uiterlijk speel, zeker in eerste instantie mee, maar uiterlijk is niet het aller belangrijkste. Kijk er doorheen en je ziet de echte mens die voor je staat. Misschien wel iemand waarvan je kunt houden en die je nooit meer los wilt laten.

Grasduinen door oude bestanden

Ik vond een oud cd’tje. Je weet wel, zo’n glimmend schijfje dat je in een lade legde en dat dan in je computer verdween. Nu had ik nog een dvd-speler in mijn oude laptop en wat denk je? Hij was nog leesbaar.

Ik vond een paar hele oude foto’s en sollicitatiebrieven die ik ooit geschreven had, maar ook een bestandje “midi.zip” dat er kennelijk ook op terecht was gekomen.

Ik herinnerde mij opeens dat ik, een kleine dertig jaar geleden, een beetje liep te prutsen met, wat toen een hele moderne pc met midi-kaart was en een keyboard om wat deuntjes te maken. Daarna ben ik het eigenlijk een beetje vergeten, maar het backupje had ik nog.

Een van de eerste deuntjes die ik had bedacht en gemaakt was deze. Met nu bijna pre-historische techniek, heb ik het ooit in elkaar geprutst.

Dertig jaar geleden wist ik nog niet helemaal wat ik deed. Misschien ga ik wel weer iets maken. Er kan nu veel meer en ook best een stukje hipper. Het begint wel een beetje te kriebelen in mijn creatieve teen.

Achtenveertig en weduwnaar

Bijna tweeëntwintig jaar, waarvan op één maand na eenentwintig jaar getrouwd, was ik gelukkig met de vrouw die, in mijn ogen, de mooiste en de liefste van de hele wereld was. Dit jaar, in februari, iets meer dan een maand voor ze drieënvijftig zou worden stierf ze zomaar, geheel onverwacht in mijn armen. Op mijn achtenveertigste was ik opeens weduwnaar.

Mijn hart was gebroken en ik voelde mijn ziel in stukken scheuren. Ik heb gevloekt, ik heb gescholden en zelfs gebeden of ik niet mocht ruilen. Het heeft allemaal niet geholpen. Het was afgelopen en klaar.

Hoe zeer het ook deed en doet, hoe ik haar ook mis, ik probeer mijn zegeningen te tellen.

We hebben samen drie prachtige kinderen grootgebracht. Elk met hun sterke en minder sterke kanten, maar inmiddels wel volwassen en zelfstandig. Ze staan alle drie goed in het leven.
We hadden niet veel vrienden, maar in nood leer je je vrienden kennen. Ik ben er niet één kwijtgeraakt. Allemaal stonden en staan ze voor me klaar.
Ik heb een een hele fijne schoonfamilie van zwagers, schoonzussen, schoonouders en neven en nichten. We hebben een fijne band en hebben steun aan elkaar.
Ik heb mensen leren kennen waar ik het goed mee kan vinden. Mensen die een zelfde verlies hebben meegemaakt. Waar ik mijn verhaal aan kwijt kan en die hun verhaal en hun problemen ook altijd en op elk moment met mij mogen delen.

Het verlies is niet minder, maar dat zijn wel de zegeningen die het iets minder moeilijk maken. Soms is het even heel lastig, want God wat hield ik van haar.

Lees anders ook even Pannenkoekendag over hoe we elkaar hebben leren kennen…

Pannenkoekendag

Op 10 juni is het bij ons thuis pannenkoekendag.
Dit jaar is het voor het eerst anders dan anders.

Dit jaar is woensdag 10 juni de dag dat ik, precies tweeëntwintig jaar geleden, spontaan, gewoon gezellig, pannenkoeken ben gaat eten bij een vrouw die ik had leren kennen. Die datum viel toen ook op een woensdag.

Ik had haar online al veel gesproken, wat toen best bijzonder was, want niet heel veel mensen hadden in die tijd internet. Op een feestje van een groepje mensen die op dezelfde chat-server zaten had ik haar al eens gezien en gesproken, maar een echte afspraak hadden we eerder nog niet gehad.

Ze had al twee kleine kinderen, was net gescheiden, en had geen oppas. Dat maakte het wat lastig om met zijn tweeën ergens heen te gaan. Een eerdere afspraak voor een etentje in Groningen kon niet doorgaan, dus nodigde ze me uit om, gewoon voor de gezelligheid en zonder verdere bedoelingen, bij haar thuis te komen eten. Op de vraag wat ik lekker vond zei ik “pannenkoeken”. Dat kwam goed uit, want daar waren, zoals ik wel dacht, de kinderen ook wel gek op.

We waren beide niet op zoek naar een relatie, dus het was veilig. Omdat ik van ver moest komen en de volgende dag wel weer moest werken, hadden we afgesproken dat ik op de bank zou blijven slapen.

De kinderen gingen niet heel laat naar bed en daarna deden we samen even de afwas. Het was gezellig en het werd steeds gezelliger. Uiteindelijk heb ik niet op de bank geslapen. We belandden in bed en hadden samen een hele fijne nacht.

De volgende dag ging ik naar mijn werk en ’s avonds door naar huis. We hadden een lang telefoongesprek en besloten dat het leuk zou zijn als ik dat weekend zou komen logeren om gewoon gezellig iets te gaan ondernemen. Die vrijdagavond ben ik met een tasje kleding die kant op gegaan en ik ben gewoon nooit meer vertrokken. Na twee maanden heb ik de huur van mijn appartement opgezegd, hebben we onze huisraad bij elkaar geschoven en binnen een jaar was ik met mijn Drentse schone getrouwd. Later hebben we samen nog een dochter gekregen. Ik ben dus gezegend met drie geweldige kinderen, want ze zijn me allemaal even lief.

10 Juni, voor ons pannenkoekendag, vierden we dat we “verkering” kregen.

Afgelopen februari is mijn vrouw, na een gelukkig huwelijk van bijna 21 jaar, plotseling overleden. Dat maakt komende woensdag een zoete dag, maar wel met een bitter randje.

Toch gaan we het vieren!

Katjesdrop

“Opa?”
“Ja Bolletje”
“Mijn benen zijn moe”
“Kijk Bolletje, daar is een bankje. Zullen we daar even gaan zitten?”
“Ja opa. Dat is goed.”

Als kind vond ik het altijd geweldig om bij mijn opa en oma te logeren. Mijn vader was enig kind en mijn zus en ik waren de enige kleinkinderen. Opa was met pensioen en ze hadden altijd alle tijd voor ons. Logeren bij opa en oma was altijd een feestje want we werden verschrikkelijk in de watten gelegd en kregen alle aandacht. Vaak logeerden mijn zus en ik er apart.

Opa en oma aten warm tussen de middag en als we er als kind logeerden dan mochten we altijd kiezen wat we gingen eten. Voor mij was dat gekookte bietjes met aardappelen en draadjesvlees met ouderwetse èchte jus. (Het water loopt me nog in de mond als ik er aan denk). Als toetje kregen we altijd zelfgemaakte custard-vla. Ik verheugde me altijd enorm op het middageten en ik bezwoer als zes-jarige telkens dat ik later, als ik groot was, toch echt met oma ging trouwen.

Opa en oma hadden allebei geen rijbewijs en een auto was er ook niet. Maar opa had wel een fiets, een ouderwetse Gazelle met een terugtraprem en achterop de bagagedrager zat een dubbele fietstas.

Mijn oma ging tussen de middag rusten. Ze had zo’n lekkere stoel waarbij, als je aan een hendel trok, een voetensteun naar buiten kwam en de rugleuning naar achteren ging. Hoewel ik mij echt kon verheugen op het eten, kon ik er bijna niet op wachten tot mijn oma, na de warme lunch, even ging rusten, want dan ging ik met opa op pad.

Als oma lag te rusten dan kwam de fiets van opa uit de berging en werd ik achterop gezet, met de benen in de fietstassen en dan fietsten we vaak naar park Berg en Bos, een kleine tien minuten fietsen. De fiets werd voor het park op slot gezet en dan gingen we wandelen.

Mijn opa hield van de natuur. Hij kende alle vogels, alle bomen en planten en wist enorm veel en mooi te vertellen over alle dieren die in het park leefden. Zo wandelden we door het park. Langs de grote vijver, richting de Acacia-hal met het grote veld en dan een paadje af langs een van de vele sprengen-beekjes die door het park liepen. En als ik moe was, dat stopten we even. Uit zijn zak kwam dan een boterhamzakje met katjesdropjes. Ik kreeg er dan een. En even verderop op het bankje, kwam er uit zijn jaszak een appel en een aardappelschilmesje. Dan aten we samen een appeltje.

Ik ben eigenlijk niet heel gek op drop. Ik lust het wel, maar mijn favoriet is dan toch de ouderwetse katjesdrop. Eigenlijk ben ik ook niet zo heel dol op wandelen, maar het gezelschap maakt veel goed en ik heb op latere leeftijd geleerd dat het me soms heel goed helpt om mijn gedachten op een rijtje te zetten en vervelende dingen van me af te schudden.

Ik ben nog steeds enorm dankbaar dat ik deze ervaringen heb en dat ik mijn grootouders heb mogen kennen. Van hun heb ik geleerd dat iets kleins geven, zoals aandacht en tijd, enorm waardevol kan zijn. Als je iets kleins met veel liefde geeft, kunnen dure cadeaus daar bij lange na niet tegenop.


Goedemorgen

Heb ik dat?

Loop ik naar het koffieapparaat in mijn kantoortje, druk op het knopje voor koffie en loop even weg om iets te pakken.

Ik kom terug, dikke bende.

Vergeten het kopje er onder te zetten. Dat was wat ik wilde pakken….

Ik heb zo’n gevoel dat het vandaag niet helemaal mijn dag gaat worden. Mijn bed weer induiken is geen optie. Misschien kijken of ik zo’n bom-pak van de EOD kan lenen voor grotere ongelukken?

Waarom toch een blog?

Hoewel ik geen “schrijver” ben is het voor mij een prettige manier om mezelf te uiten. Vocaal vind ik mijzelf niet zo heel sterk. Het is niet dat ik niet graag praat, ik lul de hele dag wel door. Maar heel ad-rem in een gesprek reageren is niet mijn sterke kant en dat is een van de redenen dat ik mijn werk graag op de achtergrond doe. Ik treed alleen op de voorgrond als het nodig is. Een andere reden is dat ik het leuk vind om dingen voor te bereiden, vorm te geven en werkend te krijgen. Als ik daardoor iemand kan oppoetsen, dan laat die maar lekker “shinen”. Vind ik mooi.

Ik ben iemand die zich makkelijk uit in chats, tweets of persoonlijke geschreven berichtjes. In persoonlijke berichtjes kan ik precies neerzetten hoe ik het bedoel en de tijd nemen om het goed de formuleren, al druk ik soms wel net iets de snel op verzenden. Ik vind het leuk om mensen te prikkelen om na te denken of te reageren. Ik probeer om dat nooit negatief te doen, maar kan wel heel direct zijn. “There’s a fine line between being blunt and being rude”.

Heel soms heb ik de behoefte om iets met de wereld te delen. Misschien is er maar één iemand die het ziet, misschien ook wel helemaal niemand. Dat doet er niet toe. Ik ben het kwijt, het staat er en iedereen kan het lezen.  Soms is daarvoor een Tweet te kort.

Ik begin dit blog vandaag omdat ik opeens de behoefte heb om dingen van me af te schrijven en dingen wil delen. Daarmee begin ik ergens later vandaag, of morgen.

Daarom dus toch een blog.

Misschien lees ik over 20 jaar honderdduizenden berichtjes terug. Misschien staat de site volgende week al weer op zwart. Ik weet het niet. We gaan het zien.

© 2020 Toch een blog

Thema gemaakt door Anders NorenBoven ↑